Zoë loopt over straat. Ze ziet een man voor zijn auto staan. Hij is gestresst. Hallo, kan ik u helpen? Ik heb een probleem met mijn auto. Mag ik uw telefoon eventjes gebruiken, alstublieft? Zoë geeft haar telefoon aan Patrick. Patrick belt een nummer. Ja , maar ... Wacht even, alstublieft. Hallo, is dit een garage? Ik heb een probleem. De man aan de telefoon stelt Patrick een vraag. Nee, ik weet niet waar ik me bevind. Euh, neem me niet kwalijk mevrouw.. Ja? Weet u waar we zijn? Put the words in the right order: We zijn niet ver van de garage. Pardon? Ik werk bij de garage! Ik ben monteur! Dus, kan ik u helpen? Combine the pairs. the problem het probleem for a moment eventjes the mechanic de monteur the garage de garage the phone de telefoon