Fenne rust uit op de bank, terwijl haar hondje Pompey slaapt. Fenne is moe, want ze heeft de hele dag naar de problemen van haar cliënten geluisterd. Pompey, het is fijn om thuis te zijn. Choose the best option. Ja, we moeten eens praten. Waarover? Wacht, kun je praten?! Finish the sentence. Fenne kan niet geloven dat Pompey kan praten. Er moeten wat dingen veranderen hier. Wat? Als eerste, laten we het over het eten hebben. Over het eten? Ik ben het hondenvoer zat. Ik heb liever biefstuk! Ja! Je moet meer biefstuk kopen. Maar er is meer! Pompey, waar heb je het over? Dank je wel voor mijn nieuwe (honden)mand. Maar ik wil ook af en toe op jouw bed slapen! Doordeweeks slaap ik op jouw bed. En aan het einde van de week wisselen we. Ik wil niet in jouw (honden)mand slapen! Put the words in the right order: Slaap je liever buiten? Wat? Fenne wordt bezorgd wakker, maar Pompey ligt te slapen op de vloer. Ze glimlacht. Blijkbaar heb ik vreemde dromen door mijn werk. Put the right words together: smiles glimlacht about what waarover because want dog basket (honden)mand during the week doordeweeks is sleeping ligt te slapen